Wie eenmaal een vrije school binnenstapt, proeft meteen een heel eigen sfeer. Wat is dat eigene van een vrije school?
Op onze school zitten de kinderen van dezelfde ontwikkelingsleeftijd bij elkaar in een klas. Bewust worden er geen niveaugroepen gemaakt. Het sociale aspect van elkaar helpen en samen optrekken vormt een belangrijk aspect van de vrijeschoolpedagogie. Deze keuze betekent ook dat de kinderen doorgaans niet blijven zitten. De enkele keer dat een kind in een andere groep wordt geplaatst, gebeurt dat ook altijd op basis van ontwikkelingspsychologische redenen en niet op basis van leerprestaties alleen.
Een belangrijk kenmerk is het zogeheten periodeonderwijs. Gedurende periodes van 3 à 4 weken worden de eerste uren van elke dag gebruikt voor één bepaald vak. Zo wordt er die weken gewerkt aan bijvoorbeeld taal of rekenen, biologie, wiskunde of aardrijkskunde. Dit ritmische systeem schept een grote helderheid voor de kinderen en heeft als voordeel dat de verbinding met dat vak intens wordt.

Een ander kenmerk is dat kinderen van vier tot zes jaar samen in één kleuterklas zitten en een specifiek opgeleide kleuterjuf hebben. In de jaren daarna (klas 1 t/m 6), houden zij een aantal jaren (of mogelijk alle jaren) dezelfde leerkracht. De groep wordt mede daardoor een hechte gemeenschap. De leerkracht kent de kinderen door en door en kan hen zo optimaal in hun ontwikkeling volgen. Voor de kinderen betekent dit dat zij niet steeds aan een nieuwe leerkracht hoeven te wennen. Een beperkt aantal vakken wordt verzorgd door verschillende vakleerkrachten of door leerkrachten van andere klassen.
Binnen de kaders van het leerplan kiest de leerkracht zelf de onderwerpen die passen bij de ontwikkeling van de kinderen die hij/zij op dat moment begeleidt. Verder wordt elk vak langs kunstzinnige weg aangeboden. Daaruit volgt dat er een bescheiden gebruik wordt gemaakt van reguliere methodes, en dan nog vooral bij het inoefenen van de lesstof. De kinderen leggen in periodeschriften de inhoud van de lessen vast in de vorm van tekeningen en dictaten of, in de hogere klassen, samenvattingen. Aan de vormgeving van die schriften besteden de leerlingen veel aandacht.
Door de jaren heen vertellen de leerkrachten de kinderen veel verhalen: vertelstof die aansluit bij de fase van ontwikkeling waar de kinderen op dat moment in verkeren. Hoewel de vrije school geen bindingen heeft met een bepaalde geloofsrichting, wordt religiositeit in het onderwijs als heel waardevol beschouwd. Dit komt tot uiting in vele aspecten van onze pedagogiek. Religiositeit is iets wat een kind, op zijn of haar manier, kan ontwikkelen. Kinderen uit alle gezindten kunnen zich bij ons thuis voelen.

Kunstzinnige vakken zijn een wezenlijk bestanddeel van het lesprogramma. Sterker nog: alle vakken krijgen op de school een kunstzinnige inkleuring. Op die manier worden niet alleen de intellectuele, maar ook de emotionele en sociale vaardigheden aangesproken om een evenwichtige ontwikkeling van denken, voelen en willen te bereiken.
Aan het ritmische verloop van het jaar wordt veel aandacht besteed in de vorm van de (veelal) christelijke jaarfeesten. De jaarfeesten, St. Michaël (oogstfeest), Sint Maarten, Sint Nicolaas, Advent, Kerst, Pasen, Pinksteren en Sint Jan (zomerfeest), vormen voor het kind vaste hoogtepunten van het jaar, waarbij de verbinding met de natuur en de seizoenen een belangrijke plaats inneemt.
Jaarlijks vinden er twee openbare leerlingenpresentaties plaats, waar alle kinderen vanaf klas 1 zich presenteren.
De specifieke pedagogische en didactische kenmerken van vrijeschoolonderwijs komen voort uit de antroposofie. Een
wetenschap over het menszijn die aan het begin van de twintigste eeuw is ontwikkeld door Rudolf Steiner (1862 –
1925). Op verzoek van de directeur van de Waldorf Astoria sigaretten fabriek in Stuttgart, ontwikkelde Steiner in
1919 vanuit de antroposofie een leerplan voor een school, bestemd voor de kinderen van de arbeiders van deze
fabriek. Sinds die tijd heeft de vrijeschoolbeweging een krachtige ontwikkeling doorgemaakt met ongeveer 1000
scholen, verspreid over alle werelddelen.
Uitspraak van Steiner:
De vraag is niet wat de mens moet kunnen en weten teneinde zich in de bestaande sociale orde in te kunnen voegen, maar wel, wat er in aanleg in de mens aanwezig is en in hem ontwikkeld kan worden. Pas dan kan de opgroeiende generatie de maatschappij steeds opnieuw met nieuwe krachten verrijken.